De UCI wil wielerbonden niet nog meer op kosten jagen
In dit artikel:
Een Toray-koolstofvezelfiets van circa €134.000 trok tijdens de Olympische Spelen 2024 in Parijs veel aandacht als één van de duurste baanfietsen ter wereld. Na de Spelen kreeg het UCI Management Committee een rapport waarin bleek dat de gemiddelde uitrustingskosten per baanwielrenner €94.000 bedroegen (fiets, accessoires, kleding). De uitersten: Japan gemiddeld €305.000 per renner (totaal €3,96 mln) en Mexico €25.000. De Australische gouden ploeg reed op fietsen van ongeveer €75.000 per stuk. Volgens het rapport steeg de minimale uitrustingskost om voor een medaille te kunnen meedoen van €57.000 in Tokio naar €82.000 in Parijs; een wedstrijdpak kost gemiddeld €7.100. Het sinds 2019 geldende verbod op prototypes — apparatuur moest voor Tokio commercieel verkrijgbaar zijn — heeft de prijsstijging niet tegengehouden. Om de wedloop om dure materiaalvoordelen te beteugelen startte de UCI een homologatiecampagne en besloot in september een maximale prijsregeling voor de uitrusting bij de Olympische baanwedstrijden van Los Angeles 2028. Kort door de bocht: stijgende prijzen vergroten de kloof tussen rijke en arme ploegen en belasten nationale bonden financieel.